Betrek de ondernemingsraad tijdig – en benut de voordelen
- 11 aug
- 4 minuten om te lezen

De ondernemingsraad wordt binnen veel organisaties gezien als een formaliteit. Ten onrechte: het is een orgaan dat bijdraagt aan beter onderbouwde besluiten, draagvlak binnen de organisatie en een gezonde interne communicatie. Toch gaat het in de praktijk regelmatig mis – vaak omdat de OR te laat of niet goed wordt betrokken bij de besluitvorming.
Wanneer is een OR verplicht?
De Wet op de ondernemingsraden (WOR) verplicht tot instelling van een OR zodra in uw onderneming in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn (art. 2 lid 1 WOR). Let op de formulering: de wet spreekt niet over werknemers, maar over in de onderneming werkzame personen. Uitzendkrachten die ten minste vijftien maanden bij de onderneming werkzaam zijn, tellen mee als ‘in de onderneming werkzame personen’. Voor hun actieve en passieve kiesrecht geldt in beginsel een termijn van achttien maanden.
Tussen tien en vijftig werkzame personen geldt een lichter regime: u kunt een personeelsvertegenwoordiging instellen (art. 35c WOR) en bent gehouden aan de personeelsvergadering (art. 35b WOR).
Bij concerns of groepen van ondernemingen kan een gemeenschappelijke ondernemingsraad (art. 3 WOR) of een centrale dan wel groepsondernemingsraad (art. 33 WOR) aangewezen zijn, afhankelijk van de structuur en de mate van samenwerking binnen het concern.
De verplichting is afdwingbaar. Iedere belanghebbende – een werknemer, een vakvereniging – kan de kantonrechter op grond van art. 36 WOR verzoeken de ondernemer tot naleving te veroordelen.
Advies- en instemmingsrecht: twee verschillende regimes
Het adviesrecht (art. 25 WOR) ziet op financieel-economische en bedrijfsorganisatorische besluiten en kent een limitatieve opsomming: overdracht van zeggenschap, fusie en overname, reorganisatie, beëindiging of belangrijke wijziging van werkzaamheden, verhuizing, belangrijke investeringen of kredieten, invoering van belangrijke technologische voorzieningen. Het advies moet worden gevraagd op een moment waarop het nog van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit.
Benoeming en ontslag van de bestuurder volgen een eigen spoor (art. 30 WOR). Ook hier geldt een adviesplicht, maar tegen zo'n besluit staat géén beroep bij de Ondernemingskamer open – art. 26 WOR verwijst uitsluitend naar art. 25.
Het instemmingsrecht (art. 27 WOR) blijft in de praktijk het vaakst onderbelicht, terwijl het juist in het MKB regelmatig knelt. Het ziet op regelingen van sociaal beleid: arbeids- en rusttijden, het belonings- of functiewaarderingssysteem, aanstellings- en ontslagbeleid, personeelsbeoordeling, de verwerking van persoonsgegevens van medewerkers, controle op aanwezigheid en prestaties, en de klokkenluidersprocedure. Elke vaststelling, wijziging of intrekking van zo'n regeling vraagt om instemming – ook een op het oog kleine aanpassing.
Wat er gebeurt als het misgaat
Wijkt u af van het advies van de OR, dan moet u dat schriftelijk en gemotiveerd toelichten en geldt een opschortingsplicht van één maand (art. 25 lid 6 WOR). Binnen diezelfde maand kan de OR beroep instellen bij de Ondernemingskamer (art. 26 lid 2 WOR).
De Ondernemingskamer toetst marginaal: of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (art. 26 lid 4 WOR). Wordt het beroep toegewezen, dan kan de OK de ondernemer verplichten het besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken (art. 26 lid 5 WOR). Het besluit wordt dus niet vernietigd – maar de praktische gevolgen zijn even ingrijpend: vertraging van een transactie, ongedaan te maken personele maatregelen, reputatieschade. Is in het geheel geen advies gevraagd waar dat wel moest, dan ligt de conclusie dat de ondernemer niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen voor de hand.
Bij het instemmingsrecht ligt de sanctie anders: ontbreekt de instemming en is geen vervangende toestemming van de kantonrechter gevraagd, dan is het besluit nietig – mits de OR die nietigheid binnen een maand uitdrukkelijk inroept (art. 27 lid 5 WOR). Doet de OR dat niet, dan is het besluit onaantastbaar. Weigert de OR instemming, dan kunt u de kantonrechter om vervangende toestemming verzoeken wanneer de weigering onredelijk is of het besluit wordt gevergd door zwaarwegende bedrijfseconomische, bedrijfsorganisatorische of bedrijfssociale redenen (art. 27 lid 4 WOR).
Meer dan een verplichting
Een goed functionerende OR is meer dan een juridische verplichting. De raad fungeert als brug tussen management en werknemers, bevordert open communicatie en vergroot het draagvlak voor veranderingen. Medewerkers voelen zich gehoord en betrokken – en de ondernemer krijgt zicht op signalen die anders pas zichtbaar worden wanneer het al te laat is. De WOR benadrukt dat niet voor niets: de OR is ingesteld in het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen.
Zo stelt u een OR in
Stel vast of de drempel wordt gehaald – tel daarbij ook de uitzendkrachten mee die vijftien maanden of langer werkzaam zijn.
Bepaal de omvang van de raad en stel een voorlopig reglement vast, waarin in elk geval de verkiezingsprocedure is geregeld.
Organiseer verkiezingen. De gekozen OR stelt vervolgens zelf zijn definitieve reglement vast (art. 8 WOR).
Verstrek de OR de gegevens waarop hij bij aanvang van de zittingsperiode recht heeft: rechtsvorm, organisatie- en zeggenschapsstructuur en de verdeling van bevoegdheden (art. 31 WOR).
Maak procesafspraken over overlegstructuur, informatievoorziening en de betrokkenheid bij besluitvorming.
Conclusie
Een ondernemingsraad is geen last, maar een kans. Door de OR tijdig en op de juiste wijze bij de besluitvorming te betrekken, voorkomt u juridische risico's én versterkt u de interne samenwerking. Wilt u weten of uw organisatie een OR moet instellen, of hoe u een advies- of instemmingstraject zorgvuldig inricht? Neem gerust contact op.




Opmerkingen